zoete-mond-e1270977893662

Zoete Mond – weer Rosenboom

Wegens het uitkomen van de film ‘Publieke Werken’ werd mijn belangstelling voor Rosenboom opnieuw gewekt en heb ik delen van zijn werk onlangs met veel plezier herlezen: Publieke werken, Gewassen vlees en Zoete Mond.  Hoofdpersonen in de romans van Rosenboom raken me. Ze zijn gecompliceerd, kwetsbaar, lang niet altijd stabiel, vaak eenzaam en in de war.  Ze jagen onbereikbare dromen na en dat ze zichzelf in de nesten aan het werken zijn ziet de lezer ruim op tijd aankomen. In Publieke Werken ontroeren de prachtfiguren Vedder en met name Anijs me. De gevaarlijke combinatie van minderwaardigheidsgevoel en grootheidswaan die Anijs drijft is zo goed neergezet dat ik hem best begreep, bij zijn meest idiote akties. De eigenaardige en zelfingenomen Willem Augustijn uit Gewassen Vlees kwam mij soms wat karikaturaal voor en raakte mij daardoor minder. Gewassen vlees is het magnum opus van Rosenboom , en hij kreeg er in 1995 de Libris Literatuur prijs voor, maar voor mij is zijn beste roman Zoete Mond.

Misschien wel omdat Zoete Mond geen historische roman is zoals Gewassen Vlees (speelt in de 18e eeuw) en Publieke Werken (19e eeuw). De roman speelt in de 60er jaren, de tijd waarin ik opgroeide en bovendien in een rivierenlandschap zoals dat uit mijn jeugd.  Maar het is met name de ontroerende personage dierenarts Rebert van Buyten die mij treft en bijblijft. Zijn worsteling met sociale contacten is zo pijnlijk dat je je als lezer bijna gaat schamen voor zijn onmacht. Hoe hij ook in zijn studententijd een buitenbeentje blijft is treffend beschreven:

P 27  ‘Maar een studentenleven had hij niet. Dat was in Wageningen. Aanvankelijk maakte het niet eens zo veel uit. Iedereen moest elkaar nog leren kennen, en geregeld sloot Rebert zich aan bij een groepje dat bij iemand ging eten, meestal bonenschotel. Maar tegen de tijd dat het gezelschap zich naar de kroeg of een feest verplaatste moest hij de trein halen en rende hij, zonder afscheid te nemen, om zich niet te verraden als vreemde, en later omdat hij als vreemdeling al niet meer tot afscheid gerechtigd was, met zijn abonnement in de hand naar het station.. ‘

Als er dan een student op zijn etage komt wonen die wel een druk sociaal leven leidt krijgt de lezer hoop, maar aansluiting bij deze groep mislukt jammerlijk. Eenzaamheid is Reberts middle name. En dat blijft gedurende de hele roman het geval. Zijn gelukkigste tijd is als hij als dierenarts partner wordt bij de gevestigde praktijk en zijn vrouw Tine ontmoet. Een huwelijk! Vaarwel eenzaamheid! De lezer kan opgelucht achterover leunen. Maar Rebert raakt Tine kwijt  (ik zal niet alles weggeven ..) en zijn eenzaamheid is vanaf dan schrijnender dan ooit tevoren. Rosenboom beschrijft die pijn zo treffend en wonderschoon, onderstaand is wat mij betreft een van de mooiste passages uit de NL literatuur rond dit gegeven: ZO voel je je dus in geval van immens verdriet:

Pg 184  ‘De vlagen van woede en verontwaardiging legden gele en knalzwarte banen over zijn grauwe gemoed. Zijn ziel was gestreept. Aan andere dingen kon hij niet meer denken. Ieder opkomend gevoel legde het onmiddellijk af tegen zijn allesversmorend verdriet. Zijn ziel was aseptisch. Het leven omringde hem als een fout, wezensvreemd fluïdum. Alleen de tijd deed hem al pijn, en hij kwam er nauwelijks tegenin. Hij was een zeevis in zoet water. De dood van Tine had hem niet uitgeworpen maar juist teruggezogen in de duisternis van voor elk begin, toen hij nog niet begonnen was, en waaruit zij hem geboren had laten worden. Hij dreef in een baarmoeder van verdriet, in vruchtwater van tranen, en hij kon er niet uit. Hij lag verkeerd.’

(De zeevis in zoet water verwijst naar de proloog, waarover later meer)

De personage die Rosenboom naast Rebert van Buiten plaatst  is Jan de Loper, alias de heer van Angeldycke, Jan Florian van Zuylen. De bijnaam heeft hij overgehouden van zijn voettocht naar Parijs. Hij leeft voor de lol,  werken voor de kost hoeft hij als rijke erfgenaam niet. In alles lijkt hij tegengesteld aan Rebert, maar hij is niet minder eenzaam of geisoleerd. Deze irritante bejaarde grappenmaker is zo treffend beschreven dat ik me doodergerde (en moest inhouden niet door te bladeren tot we het weer over Reberts zieleroerselen konden hebben):  Praatjes voor de vaart. Flauwe grappen en grollen. Grootheidswaan ook hier weer. Gruwelijk. En Rebert vindt het ook gruwelijk, maar de door hem  begeerde Laura Banda is dol op Jan de Loper. Daarom kan hij zich er niet volledig van afkeren en heeft hij Jan de Loper nodig om haar hart te winnen. Of dat lukt of niet? Ga maar lezen!

In Rosenbooms werk zijn de prologen ware kunststukjes, die in Publieke Werken heeft me nog lang bezig gehouden. De proloog in Zoete Mond,  Wild wit water,  handelt over de witte dolfijn Moby een waargebeurd en indrukwekkend gegeven.  Over de prologen later een keer meer, voor nu een link naar een youtube filmpje (een van 4 filmpjes) waarin Thomas Rosenboom zelf vertelt over het ontstaan van de roman, en over de witte walvis uit Zoete Mond.

Een gedachte over “Zoete Mond – weer Rosenboom”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.